WAE REBO | FLORES

Als je een jaar door Indonesië reist ontkom je er niet aan in het regenseizoen terecht te komen. Nadat we al van Java naar Bali en daarna naar Lombok gevlogen waren in de hoop de regen te ontvluchten, besloten we nog oostelijker te reizen. Want de regen bleef ons maar achtervolgen. We vonden een georganiseerde boottocht die in vier dagen van Lombok naar Flores vaarde. Onderweg waren er uitstapjes gepland, zoals snorkelen met een Manta rog, een roze strand en als hoogtepunt een wandeltocht tussen de dodelijke Komodo varanen. De boottocht zelf bleek de grootste uitdaging te zijn! Een boot van cardboard en een zee waar het golfslagbad van Center Parcs niets bij is.

 

Na vier dagen kwamen we heelhuids aan in Labuan Bajo, de westelijke havenplaats op het eiland Flores. Flores is een minder bekend eiland van Indonesië. Het massatoerisme is hier nog niet losgebarsten. Het is bijna drie keer zo groot als Bali, maar met minder dan de helft inwoners. Het heeft prachtige natuur, bossen, kusten en vulkanen.

Labuan Bajo is een redelijk bruisend havenstadje. Het drukste gedeelte bestaat uit een lange straat langs de kust. Hier vind je de meeste hotels en een diversiteit aan restaurantjes. Vlakbij de haven is een lange strook gereserveerd voor traditionele eetstalletjes. Een soort voorloper van de foodtruck festivals.

 

 

Wij hebben een heel klein stukje gezien van dit prachtige eiland Flores, namelijk Wea Rebo. Wae Rebo is een afgezonderd bergdorpje gelegen zo’n 1100 meter boven zeeniveau. De zeven huizen waaruit het dropje bestaat zijn gebouwd volgens de traditionele Mbaru Niang bouwwijze. Ze zijn conisch gevormd, vijf verdieping hoog met een rieten dak. Elke verdieping dient een ander doel, bijvoorbeeld voor opslag van eten, een leefplek of een ruimte voor offerandes. Het dorp is alleen te voet bereikbaar via een loodzware voornamelijk omhooggaande bergtocht van ruim drie uur.

Volgens google maps zou het drie a vier uur rijden zijn vanaf de havenstad Labuan Bajo naar het startpunt van de bergwandeltocht. Daarna was het nog drie uur door een bos een berg op tot we het dorpje bereikten. We hadden een hele leuke gids ontmoet die de rest van de week tussen de Komodo’s leefde en dus ook wel blij was met eens wat anders. Op zijn beurt bracht hij weer een hele leuke chauffeur mee met de langste en dikste dreadlocks die ik ooit gezien heb. De chauffeur bracht weer zijn meest gepimpte auto mee die de slechte weg die we moesten afleggen wel aankon. De reis werd hierdoor wel iets duurder, maar we moesten vooral blij zijn met de jeep met zoveel hippe features dat er geen ruimte meer voor een airco was.

De eerste twee uur van de reis ging prima. De wegen waren goed, de wagen trok het inderdaad prima en ik kreeg slechts een enkele keer een dreadlock in mijn gezicht gezwiept als gevolg van alle ramen die open moesten door het ontbreken van de airco.

ontheroad1Tijdens een korte pitstop vroeg ik of we nu inderdaad, zoals ik tijdens mijn gedegen voorbereiding gezien had, over de helft waren. Er viel een stilte. Eerst dacht ik dat het aan de taalbarrière lag, maar nadat Sander het ook nog eens in steenkolen Engels vroeg, bleek toch echt dat ome google het dit keer bij het verkeerde eind had. En niet zo beetje ook…. Niet drie tot vier uur, maar zo’n zeven uur zou de reis duren. Waarschijnlijk kwam dit verschil in tijd vooral door de kwaliteit van de wegen die inmiddels leken op een ontploft mijnenveld. En dit was zelfs voor de monstertruck te veel van het goede.

ontheroad2

 

Zeven uur later dus, kwamen we aan bij de laatste post voordat we de berg te voet moesten gaan trotseren. Ik was al een beetje ziek door de vier dagen doodsangst en belabberde hygiëne op de boot, maar na de zeven uur durende rit voelde ik me helemaal een lappenpop. Maar we moesten door. De enige andere optie was de zeven uur terugrijden.

We begonnen onze tocht op hetzelfde moment dat de regen begon. Gelukkig waren we hierop voorbereid. We waren inmiddels al een week of vier door Indonesië aan het reizen en leken de regen achterna te vliegen. Java, Bali, Lombok en nu Flores. Overal vluchtten we voor de regen om hem op het volgende eiland weer op ons los te voelen barsten. Zo nu ook. Dus hup de poncho’s aan en door klimmen. Tien minuten omhoogklauteren in de stormende regen met een luchtvochtigheid die zo’n 20% hoger is dan in Nederland en 30 graden is voor een ongetrainde Nederlander het equivalent van afzien. De benen waren na vijf stappen al verzuurd, de longen piepten, het uithoudingsvermogen nul. Kom op, nog een stapje, dan mag je weer rusten. Zo gingen wij het eerste uur omhoog. Om de tien minuten pauze. Uithuilen. En weer verder. Op de een of andere manier hebben we het gehaald. Twee uur klimmen en het laatste uur vals plat. En toen zagen we het liggen. Verscholen tussen de bergkammen. Gehuld in de mist. We stonden op een bamboe platvorm en keken neer op een ronde open plek tussen de bergkammen. Wae Rebo onthulde zich aan ons groepje. Twee gebroken Nederlanders, een komodo veteraan en onze jonge Indonesische berggids op slippers met een kretek sigaret tussen zijn lippen.

 

WR wide1

Wae Rebo

 

housezw

Bij aankomst

hoofd

Het opperhoofd

man zit

 

man

 

house2

 

selfie

Zelfs hier; de selfie